 |
| Friet Kapsalon, een Delfshavense uitvinding, op het Rotterdams Oogstfestival. |
Ik woon in Rotterdam. In de stad. Aan de andere kant van de rivier wonen ook mensen. Die wonen op Zuid, ook wel bekend als de 'boerenzij'. Dat komt, door de groei van de havens en de crisis in de landbouw in de 19de eeuw trokken veel oorspronkelijke landarbeiders uit Brabant naar de stad. Die werden gehuisvest in goedkope woninkjes op Zuid. Dat Zuid en haar bewoners kregen in de daaropvolgende eeuw een slechte naam omdat de Brabanders gezeglijker waren dan de arbeiders uit de stad en stakingen braken. Al met al is er weinig verkeer tussen stedelingen en zuiderlingen. Het verhaal gaat dat de voormalige nachtburgemeester alleen incognito over de brug kwam. Een ander verhaal is dat je met je paspoort op reis moet als je naar Zuid wilt.
Rotterdam is ook een stad waar veel onderlinge banden hersteld moeten worden. Dat zal de reden zijn geweest dat de twee oogstfestivals die afgelopen weekend te beleven waren in de stad plaatsvonden. Zo van: "Laten wij stedelingen die boeren eens hier laten zien wat ze doen." Een stukje begrip kweken. En omdat in Rotterdam een scheidslijn loopt tussen ondernemers en gesubsidieerde festiviteiten, waren er twéé oogstfestivals tegelijkertijd. Blijkbaar kan niet alles samenkomen.
Bram Ladage, befaamd patatbakker én ondernemer in Rotterdam, organiseerde op het Noordplein, in Noord ja, de komst van de nieuwe aardappeloogst. Aangekondigd was dat er verschillende 'rijdende keukens' zouden staan van waaruit fish & chips of patat bekomen zou kunnen worden. Niet echt een culinaire diversiteit. Verder waren er een Piaggo met gepofte aardappel met truffelsaus (érg lekker!), en een jaren '60 Flandria brombakfiets met Italiaans ijs zonder klandizie. De kinderen konden tussen de strobalen een dikkebandenwedstrijd houden. Om een uur of een was het een wat troosteloze bedoening. Het regende net niet, maar daar was alles mee gezegd. De standhouders waren in de meerderheid. We hadden geen zin in een wedstrijdje aardappelschillen of dikkebanden. Raakte nog wel aan de praat met de man van de gepofte aardappel en wisselde visitekaartjes uit. Voor m'n toekomstige negotie.
Helemaal aan de andere kant van de stad, op het Heemraadsplein in West, was het Rotterdams Oogstfestival. Nu alweer voor de derde keer. Het is een initiatief dat producent en consument dichter bij elkaar wil brengen. Producenten moet daarbij ruim gezien worden, tante Mien die op de Kaap sambal maakt, is óók een producente, net zo goed als de appelsapmaker uit Rhoon. Dat maakt dat er een bonte verscheidenheid aan kraampjes is. Wekenlang driehoeksborden in de stad hielpen om er voor te zorgen dat het een drukke bedoening was.
Ook bij Rotterdamse Oogst maakte de pieper deel uit van het thema. Niet dat er zakken vol van te koop waren, of heel veel verschillende soorten en smaken. Dat viel toch tegen. Wel was er dan weer biologische friet kapsalon te krijgen. Dat wordt wel beschreven als drie maaltijden in één, die je aan het eind van een avond stappen eet als je zeker weet dat je met niemand naar huis gaat. Vanwege de 'kapsalonadem'... Het andere deel van het thema was 'varkens'. Daar ben ik een liefhebber van, zeker nadat ze zijn uitgegroeid tot porkers, of liever nog baconers. In een Rotterdamse wijk krijgen de bewoners de kans om dat allemaal mee te maken. Twee biggetjes uit Drente, Bonte Bentheimers om precies te zijn, krijgen onderdak in een wijk en worden een jaar lang door de bewoners gevoederd, verzorgd en geknuffeld. Na dat jaar wegen ze genoeg en worden ze geslacht. En door de vertroetelaars opgegeten. Zo gaat dat, zo hoort dat.
 |
| Ted en Loes, baconers to be. |